Over het algemeen spreekt iedereen minstens één taal vloeiend en kan eventueel ook nog wel uit de voeten met een tweede aangeleerde taal. Je staat er eigenlijk nooit echt bij stil, maar het is als je er over nadenkt bizar dat je in je eerste levensjaren in staat bent om een taal te leren. Een taal is niet zo simpel als het lijkt, er zijn allerlei grammaticale regels waar je je aan dient te houden. Dit is een kind niet uit te leggen. Dit moet het kind maar zelf uitzoeken. Maar hoe leert het kind de klanken te produceren die wij taal noemen?
Er zijn een aantal theorieën die allemaal wel een beetje op
elkaar lijken maar toch gebaseerd op verschillende principes in het menselijk
lichaam. In deze tekst komen de vier theorieën aan bod die de meeste aanhang
hebben.
De eerste theorie is gebaseerd op de aanname dat iedereen
een aangeboren vermogen heeft om een taal te leren. Taal is zo complex dat het
haast niet anders zou moeten kunnen[1]. Het gaat hier om een
ander vermogen dan bijvoorbeeld het vermogen om te fietsen. Fietsen kunnen
volwassenen ook nog leren als ze maar lang genoeg oefenen, maar het leren
praten zal alleen goed uitpakken als je begint als dreumes of peuter .Er is
natuurlijk wel variatie in de snelheid waarin de taal wordt verworven, de ene
pikt een taal wat sneller op dan de ander, maar de basis is volgens deze
theorie bij iedereen hetzelfde. Wat ook een rol kan spelen bij het onder de
knie krijgen van de taal is de omgeving. Een kind dat in Nederland opgroeit
leert Nederlands en een Engelse baby Engels.
Er is ook een theorie die erg op de vorige lijkt maar toch
een wezenlijk verschil heeft ten opzichte van datgeen wat aangeboren is. Het
gaat hier niet om het aangeboren taalgevoel, maar om aangeboren regels in je
hersenen. Deze theorie zegt dat bij iedereen de Universele Grammatica (UG) is
aangeboren. Dit bestaat uit principes en parameters. De principes voor alle
talen liggen hier in vast (zoals dat elke zin een onderwerp heeft) en de
parameters (eigenschappen die per taal verschillen) worden later ingevuld bij
het leren van de taal zelf. Met deze twee dingen kunnen kinderen ook zinnen
maken die ze nog nooit gehoord hebben, maar omdat de basis al vast ligt zijn ze
toch in staat ze te produceren.[2]
Een andere theorie wil doen laten geloven dat niet het
taalvermogen is aangeboren, maar een sociaal vermogen. Dit vermogen ontwikkelt
zich vanaf ongeveer het negende levensjaar. Deze theorie gaat er ook vanuit dat
kinderen gewoon luisteren naar wat hun ouders zeggen of andere mensen uit hun
omgeving. Als ze heel vaak het woord ‘bal’ bij een bolvormig object horen
zullen ze een vergelijkbaar ding een ‘bal’ noemen. En als ze maar lang genoeg
een goede grammaticale zin horen zullen ze ook proberen zo’n zin te maken. Ze
gooien deze elementen allemaal bij elkaar en creëren zo hun eigen
brabbeltaaltje. Het sociale instinct zou ervoor moeten zorgen dat kinderen
begrijpen dat de ouders ook echt wat bedoelen met de klanken die ze uitkramen.
Zonder dit instinct zou een kind nooit kunnen begrijpen dat er met die waterval
aan klanken ook een boodschap wil worden gegeven.[3]
De laatste theorie die zal worden behandeld is de ‘neurale-netwerk
theorie’. Volgens deze theorie leren kinderen een taal door algemene principes
en mechanismen. Maar deze zijn algemener dan de in vorige theorieën genoemde
principes. De neurale netwerken worden versterkt naarmate het kind de zin of
zinsopbouw vaker hoort, waardoor het ‘begaanbaarder’ wordt om een bepaalde
zinsconstructie te produceren. Hoe vaker het wordt gehoord hoe ‘sterker’ de
verbinding wordt.[4]
Deze theorie is vooral gebaseerd op herhaling en niet zozeer op aangeboren
vermogens.
In elk van deze theorieën zit wel wat, en het blijft een
wonderlijk verschijnsel dat jonge kinderen in staat zijn zoiets complex als een
taal onder de knie kunnen krijgen.
[1]
Nieuwenhuijsen, P.M. (1995). Het verschijnsel
taal. Een kennismaking. Bussum: Coutinho
[2]
Scholman, M., Zetstra, H. (2005). Taalverwerving
& Meertaligheid. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen
[3] Scholman,
M., Zetstra, H. (2005). Taalverwerving & Meertaligheid. Groningen:
Rijksuniversiteit Groningen
[4] Scholman,
M., Zetstra, H. (2005). Taalverwerving & Meertaligheid. Groningen:
Rijksuniversiteit Groningen